Ontstaan van de baggerindustrie
Het financieren van grote grond- en dijkwerken met bijbehorende risico’s was in de zestiende en zeventiende eeuw voorbehouden aan rijke investeerders uit de grote steden. Zij gebruikten aannemers die dijkwerkers ‘uit Sliedrecht of daeromtrent’ inhuurden vanwege hun vakkennis. In Sliedrecht zelf durfde men alleen op kleine werken zelfstandig het risico van financiering aan.
Pas eind 18e eeuw waagde men zich aan grotere projecten. Het was gebruik het benodigde geld alleen bij plaatsgenoten te lenen. Kapitaal en rente bleven hierdoor in hetzelfde dorp en men werd steeds minder afhankelijk van geldschieters in de steden. In de 18e eeuw groeide de Sliedrechtse aannemerij gestadig en woonden er heel wat 'aennemers van publyck besteedde wercken' in het dorp. Zij vormden het voorgeslacht van veel in Nederland gevestigde baggerbedrijven.
De werktuigen bleven lange tijd eenvoudig en gering in aantal; hoofdzakelijk spaden, kruiwagens, vlet en baggerbeugel. Alleen de overheid baggerde met molens. Pas in 1818 begon men in Sliedrecht met een paardenmolen. Het accent bleef echter nog lang op rijs- en oeverwerken liggen.
Toen in 1885 de eerste stoomraderboten op de Merwede verschenen, kwam Adriaan Volker op het idee van de stoombaggermolen. In 1864 kon zijn inmiddels gerespecteerde bedrijf de eerste stoombaggermolen aanschaffen en zijn ideeën werden al snel overgenomen door anderen in het dorp.
Scheepswerven
Voor Sliedrecht kwam de grote doorbraak toen onder minister Thorbecke in 1862 werd besloten de Nederlandse kust voor de grootste schepen toegankelijk te maken. De enorme werken aan het Noordzeekanaal, de Nieuwe Waterweg en de havens van Rotterdam en Amsterdam werden met groot succes uitgevoerd. Voor Sliedrecht had dit als gevolg dat er scheepswerven ontstonden, zowel voor reparatie als nieuwbouw van kleine baggerwerktuigen. Het succes van de Waterweg werd ook in het buitenland bekend. Vanaf 1880 werkten de Sliedrechtenaren in Frankrijk, Spanje en Duitsland. en vanaf 1900 over de gehele wereld.
Door deze economische successen breidde de bevolking in Sliedrecht zich, zoals in de rest van Nederland, snel uit. In 1851 en 1901 werden diverse uitbreidingen van de gemeente gerealiseerd.
Verdere mechanische ontwikkelingen zorgden voor uitbreiding van de Sliedrechtse industrie: rondom de baggerindustrie bloeiden de technische installatiebureaus en diverse toeleveringsbedrijven op. De afhankelijkheid van één industriële sector had wel tot gevolg dat de economische depressie van de dertiger jaren van de vorige eeuw Sliedrecht hard trof. Meer dan de helft van de beroepsbevolking was op werkelozensteun aangewezen.
Tweede Wereldoorlog
In de oorlog werd Sliedrecht door diverse bombardementen getroffen, zowel Engelse als Duitse. Vooral in de periode ‘44- ‘45 speelde Sliedrecht een belangrijke rol voor het verzet. Vanuit deze gemeente pendelden de zogenaamde line- crossers via de voor de Duitsers moeilijk te controleren Biesbosch naar het inmiddels bevrijde Noord-Brabant.
Sliedrecht blijft het baggerdorp
Na de oorlog bloeide de baggerindustrie weer op en om de eenzijdige economische ontwikkeling te doorbreken werd geprobeerd andere industrieën aan te trekken. En met succes.
Ondanks het feit dat enkele baggermaatschappijen niet meer in Sliedrecht gevestigd zijn, en binnen de gemeentegrenzen tal van andersoortige bedrijven zijn neergestreken, blijft Sliedrecht voor Nederland en de rest van de wereld nog altijd 'het baggerdorp'.